Ex-partner veroordeeld voor het verspreiden zonder toestemming van intieme beelden op Pornhub
De betrokken partijen
- Burgerlijke partijen: slachtoffer en het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen
- Beklaagde: ex-partner van het slachtoffer
De feiten
Een vrouw beëindigde een relatie van drie jaar in juni 2020. Er was fysiek geweld binnen de relatie. De man kan de relatiebreuk niet verkroppen en valt de vrouw nog weken nadien lastig; hij wacht haar op op haar werk (hij had spyware op haar smartphone geïnstalleerd), belt voortdurend aan bij haar huis, stuurt ongewenst (dreig-)berichten en bloemen. Tenslotte plaatst hij meerdere (naakt)foto’s en (naakt)video’s op een account op de populaire pornosite Pornhub, samen met zeer persoonlijke gegevens: haar volledige naam, woonplaats en werkgever.
Pas wanneer een onbekende man de vrouw op Instagram contacteert nadat hij die beelden zag, komt het slachtoffer dit te weten. Eind juli dient ze klacht in bij de politie. In oktober doet ze een melding bij het Instituut, dat haar helpt de beelden van de pornosite en zoekmachineresultaten te halen en haar verder ondersteunt bij het nemen van de gewenste juridische stappen en aan Pornhub vraagt om bewijsmateriaal voor het onderzoek bij te houden.
Omdat er toen nauwelijks rechtspraak bestond voor het niet-consensueel verspreiden van seksueel getinte beelden, besloot het Instituut in rechte op te treden. De onderzoeken liepen tot na de zomer van 2024. Nu zijn er positieve rechtspraken die slachtoffers steunen om klacht in te dienen voor deze strafbare feiten.
De aanklachten en toegepaste wetten
- NCII (non-consensual intimate images), met verzwarende omstandigheid van kwaadwillig opzet (art 417/10 Strafwetboek)
- Externe hacking met verzwarende omstandigheden (550bis §1 lid 1 en 2 Strafwetboek)
- Belaging (442bis lid 1 Strafwetboek)
- Opzettelijke slagen met ziekte of werkonbekwaamheid van minder dan of gelijk aan 4 maanden tot gevolg met verzwarende omstandigheden (art. 392, 398 en 399 lid 1, 100 ter, 405 bis, 3°, en 405 ter Strafwetboek)
Het vonnis
Eerste aanleg
In januari 2025 werd de man schuldig bevonden aan alle bovenstaande aanklachten. De rechter veroordeelde de dader tot een gevangenisstraf van 18 maanden onder voorwaarden (geen strafbare feiten plegen, begeleiding en gedragstraining in agressie- en persoonlijkheidsproblematiek, contactverbod slachtoffer, geen alcohol drinken, burgerlijke partijen vergoeden, …) en een geldboete van 1 600 euro. Het slachtoffer krijgt een schadevergoeding van zo’n 17 000 euro. Aan het Instituut moet hij 424,5 euro materiële schadevergoeding betalen voor het psychologisch onderzoek van het slachtoffer en 3 000 euro rechtsplegingsvergoeding. De man tekende hoger beroep aan tegen de straf.
Tweede aanleg
In hoger beroep in maart 2026 werden het eerste vonnis en alle aanklachten herbevestigd.